4de Openbaar college ‘Huidig gebruik van historisch plantsortiment van tuin en park’

Drie eerdere openbare college´s vonden al plaats. Aanstaande donderdag 26 april 2012 volgt de vierde en laatste. Opnieuw van 18:30 tot 21:30. Deze keer door drs. Trudi Woerdeman, tuinhistoricus en erfgoedhovenier.


Pelargonium zonale
, in C.A.J.A. Oudemans,
Neerland’s Plantentuin, deel III (1867).
In een voordracht met de titel ‘Huidig gebruik van historisch plantsortiment van tuin en park’ komen de volgende thema’s aan bod:
– Hoe ging men om met planten en bloemen?
– Wat was hun plek in tuin en park?
– Wat kunnen we nu doen met deze kennis, met name op de buitenplaats?
– Het achterhalen van het historisch plantensortiment bij herstel van historische tuin of park. Werkwijze. Bronnen voor Nederland.
De nadruk ligt op planten en bloemen, vanaf de middeleeuwen tot heden.Zie ook HAS KennisTransfer; opgave via de knop Inschrijven aan de rechterzijde. Of door een mail naar fal@hasdb.nlte sturen.26 apr 2012, 18:30-21:30
HAS KennisTransfer
Onderwijsboulevard 221
5223 DE ‘s-Hertogenbosch (Google Maps)
Facebooktwitterlinkedinmail

4 reacties op “4de Openbaar college ‘Huidig gebruik van historisch plantsortiment van tuin en park’

  1. De afbeelding wekt bij mij wel enige verwarring, maar maakt tegelijk weer duidelijk dat je je altijd allereerst moet afvragen (nazoeken) wanneer de plant is ingevoerd en van waar hij afkomstig is. Ik kan me voorstellen dat mensen die nog niet zo zijn ingevoerd in het veld van historische planten naar aanleiding van deze afbeelding denken dat de Pelargonium zonale in de 19de eeuw door Oudemans is ingevoerd in Nederland. Dat is dus geenszins het geval. Deze plant is afkomstig uit Zuid-Afrika en komt al in de late 17de eeuw voor in de Nederlandse (botanische) tuinen. Als potplant werd hij dan ook aanbevolen voor de gerestaureerde tuinen van Het Loo. Deze plant was dus een zeldzaamheid in Nederland in de 17de eeuw en een modeplant in de 19de eeuw, en eigenlijk is hij dat nog steeds. In de catalogus van 1835 van de fa. Zocher komt hij weer niet voor. Kennelijk was hij als perkplant in het 19de-eeuwse landschapspark weer niet zo vanzelfsprekend. Kortom best gecompliceerd. En dan te bedenken dat het bij een restauratieplan niet gaat om één plant maar om vele honderden uit een bepaalde periode. Het blijft moeilijk die historische planten uitzoeken en toepassen. CO

  2. Een opmerking die mij bijgebleven is, maar ik moest wel even zoeken om ‘m terug te vinden, schrijft Brent Elliott in Changing fashions in the conservation and restoration of gardens in Great-Britain: Unfortunately, the nineteenth-century parterre is a garden feature that we can probably never restore with full accuracy, because, quite simply, the plants are no longer available. From the 1840s on, parterre planting relied on newly bred bedding varieties of half-hardy perennials, most of which have disappeared from cultivation; breeding records seldom survive; and written descriptions do not have a sufficiently exact colour vocabulary to allow us to determine with any precision the effects which particular cultivars had in flower gardens.

    • Helemaal met Brentt Elliot eens. Precies om die reden heb ik altijd beweerd dat we bij restauratie van het plantensortiment er in ieder geval voor moeten zorgen dat genus en species van gewenste plant kloppen (zie mijn artikelen over het gewenste sortiment voor Het Loo) en dat we daarna moeten zoeken naar ‘vormen’ van de plant die qua uiterlijk het meest lijken op de toegepaste plantensoort die we kennen van plaatjes uit gewenste periode. Als we een 17de-eeuws Afrikaantje willen toepassen, kijk dan eerst welke species in die tijd werd gebruikt en kijk daarna bijvoorbeeld in de Hortus Floridus hoe die Afrikaantjes er uit zagen. Dan kom je op een Tagetes erecta of T. patula uit, de eerste met een grote bolvormige bloem. Deze vorm is in het huidige cultuurplanten-sortiment zeker beschikbaar, terwijl 19de-eeuwse cultuurvormen al lang niet meer bestaan. het blijft zoeken en speuren naar de juiste soorten en bijpassende ‘vormen’. CO.

  3. Was toch weer een mooi college van Trudi. Weer eens even duidelijk de lijn neerzetten en de oorsprong aangeven. En dit alles geheel op zijn Trudi”s ( als ik zo vrij mag zijn) met veel beleving en liefde voor het vak. Misschien is dat wel de belangrijkste boodschap om mee te geven, liefde voor de historische tuin. Ieder plaatje, zo ook het plaatje hierboven, roept meer vragen op dan het antwoorden geeft. Erg is het niet, het maakt het werken in dit vakgebied tot een belevenis. Alle oude prenten van het college zijn vatbaar voor een andere uitleg, helaas kan dit ook maar weer zo de “waarheid” zijn. De interpretatie van een afbeelding met zekerheid gesteld door de juiste persoon geeft al snel het gevoel dat het wel waar moet zijn. Maar als de conclusies van twee experts 180 graden anders zijn?…
    Als ik samen met Jan in Wageningen speciale collecties wat catalogi van 100 jaar geleden doorneem komen we al snel 120 soorten en variëteiten Pelargonium tegen. Wat wil je bij zo”n hoeveelheid, minimale verschillen en daarbij hoe waardevol is het oorspronkelijk ontwerp? Ik mag graag handelen in geest van… wat was de bedoeling van het geheel? Kleuren met planten? Tonen van een collectie? Tonen van noviteiten op plantengebied? Iedere insteek vraagt om een andere benadering, iedere afweging in een historische tuin vraagt om maatwerk.
    Ook een mooi college; Hoe lever ik maatwerk?

Laat een reactie achter bij Jan Holwerda Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Anti-Spam vraag: