SWING-bomen


SWING-boom (Foto: Van den Berk Boomkwekerijen)

Op internet kwam een bericht voorbij over de ‘swing-boom’. Zie hier, ook om de foto waar copyright op rust. Deze ‘swing-boom’ is volgens de beschrijving ontstaan uit de behoefte aan een groen dak, zonder de belemmering van een stam midden in het terras. Er werd geëxperimenteerd met varianten op de bekende dakboom en gezocht naar een vorm die zowel praktisch als sierlijk is. Zo ontstond uiteindelijk het idee voor een S-vormige stam. Door die S-vorm is de dakboom naast het terras te planten zodat deze niet in verharding hoeft groeien.

De foto’s deden me denken aan een bepaald historisch plaatje. Tja… vind zoiets maar eens terug. Maarre gevonden hoor. In Observations on the formation and management of useful and ornamental plantations van Loudon uit 1804.


Bending the larch to produce ship timber (Loudon, Observations on the formation and management of useful and ornamental plantations, 1804).

Loudon schrijft: Shipbuilders use some kinds of wood in particular, as the oak. The larch might also be trained for this purpose, by bending down the stem when twenty feet high, and fixing it in a certain position.

En in een noot: … the bowing and bending of young timber trees, especially oak and ash, into various flexures, curves and postures, which may be done by humbling and bending them down with tough bands and withs, or hoops, either cut screw-wise, or slightly haggled and indented with a knife, and so screwed into the ground, or by hanging of weighty stones to the tops or branches, till the tenor of the sap, and the custom of being so constrained, do render them apt to grow of themselves, without power of redressing. This course would wondersully – accommodate materials for knee-timber and shipping, the wheelwright and other uses; conform it to their mould, save infinite labour, and abbreviate the work of hewing and waste.
Jan Holwerda

Cascade bulletin 2020 is uit

Als het goed is hebben alle donateurs de afgelopen dagen het nieuwe Cascade bulletin 2020 ontvangen, een jaaruitgave. Groter, dikker en met de volgende inhoud:

– ‘De beste en kundigste enteniers van geheel Europa’, Lenneke Berkhout
– Over het damplantsoen, zijn ontwerper en de ‘Oud-Hollandse stijl’, Carla Oldenburger-Ebbers
– Datering van Roodbaards ontwerptekeningen, Els van der Laan-Meijer
– De planten van de barones, Ciska van der Genugten
– Laudatio uitreiking Carla Oldenburger-Ebbers Penning 2020
– Pieter de la Court van der Voort en innovaties in de ananasteelt, Lisa Johnson
– ‘De voornaamste vermaaken der Dordtenaaren’, Cas van Rossum
– Er was eens een natuurpark in Kaatsheuvel, Iris de Baat

Heel veel tuinbanken, -stoelen e.d.

Op Delpher staat een scan van een op Vijverhof (Breukelen) betrekking hebbende verkoopcatalogus: Catalogue van een aanzienelyke party meubilaire goederen … Alsmeede een groote party thyncieraaden als mamore en andere vaasen, borstbeelden, thuynbanken, schopstoeltjes, bloemen in potten, broey-lessenaars en raamen, thuynmans gereedschappen… Alles nagelaten door wylen den wel. ed. heer Leonard Thomas de Vogel. (zie hier) De verkoop vond plaats op 16 september 1794 op de hofstede Vyverhoff tussen Nieuwersluis en Breukelen.

Halverwege de catalogus start de opsomming van de buitenboel. Tussen de vazen en (borst)beelden staan een aantal van ‘Jan van Lugteren’ (Logteren). Vervolgens het tuinmeubilair: 29 thuinbanken, 2 stygerbanken, 6 zitbankjes, 4 stoeltjes, 19 thuinstoelen, 10 schopstoeltjes, 1 tafel, 12 bankjes. Je vraagt je af, hoeveel zitplaatsen wil je hebben? En dan te bedenken dat een deel van de banken de toevoeging 3, 4, of 5 ‘zittingen’ kent!  Was er nog wel plek voor iets anders?

Dan volgen 14 vygeboomen in potten, 324 potten met bloem- en andere gewassen, ramen voor lessenaars en ander kassen, matten, scheerwagens, kruiwagens, ladders, (tuin)gereedschappen en allerlei andere benodigdheden. En de lijst gaat maar door en gaat maar door. Alles had waarde, alles was te koop en alles werd verkocht. Ook ‘eenige Walviskaaken’. De laatsten en veel van de overige veilingnummers (zeg een derde) werd aangekocht door de nieuwe eigenaar Lourens Wetzler. Per veilingnummer is de opbrengst en de koper namelijk genoteerd.
Jan Holwerda

Holländischen Eisgrube


Holländische Eisgrube auf sumpfigen Boden (1806) (Bron: Allgemeines teutsches Garten-Magazin)

In het Allgemeines teutsches Garten-Magazin 1806 staat een bijdrage over ijskelders. Over noodzaak, voorwaarden, maar ook over de onmogelijkheid van het aanleggen, lees ingraven, van een kelder in gronden met een hoge grondwaterstand. De beste aanpak is een ijskelder ‘auf holländische Manier, nicht in, sondern über der Erde’. Van buiten ziet het er uit als een ongeveer 32 voet hoge piramide of aardkegel. Tot 2/3 van de hoogte met gras bedekt en met een spits en omhoog lopende trap die met stro gedekt zijn. Eventueel rust het geheel op (hei)palen, aldus het Allgemeines teutsches Garten-Magazin.
Jan Holwerda

Stadstuintjes [over tuinarchitect en tuinmannen]

In deze dagen van conferenciers en met het boek Hoveniers van Oranje in het achterhoofd, iets anders over een ‘tuinarchitect’ en tuinmannen. Uit de oude doos, te weten Het Vaderland van 8 mei 1921. Misschien wat lang van stof, maar ik kon het niet laten.

[Na enige regels over het groen van Den Haag…]

Dit feit [het groen van Den Haag] nu heeft geleid tot het ontstaan, groeien en bloeien van ’n talrijke schare vakkundige hoveniers, die al die stadssublimeering voor ons in orde houden. Er zijn zeer bekwame erentfeste menschen bij, en zijn er ook bij, die men bij het aanvatten boven de heupjes moet pakken. Je kunt je soms zoo geweldig vergissen, is ’t niet waar? Ik herinner me ’n hevig geschel, gevolgd door ’t binnentorsen van ’n marmer-zwaar naamkaartje, waarop niet minder dan het Koninklijke wapen, bewaakt door twee bijterige leeuwen, die hun maintien en hun draai hadden.

Ik stond den hofleverancier te woord, liet hem, min of meer onder den indruk van z’n roomvlakleurige overjas, in het spreekkamertje en ging ten slotte ’n contract met hem aan voor den aanleg van m’n tuintje (6 bij 7 M. welgeteld). Ik opperde ’n plan, lintwurmvormig, jolig paadje met blindedarmvormigen eindzwaai van het veranda-tje (ik was toevallig ’n jaar in reuze-goeien doen) naar ’t kolenhok, bij den eersten kronkel een perkje en achterin een cirkeltje waar je glad omheen kon loopen en tegen ’t kolenhok ’t bekende gipsen lummeltje met die schelp op z’n kop. Tegen dat hok O.-Indische kers en uit de schelp van het gipsen gedrocht afhangende latyrus of …
Maar hij wuifde me minachtend weg. „Wij, moderne tuinarchitecten,” zoo begon hij en bediende zich van dien prettig-voorname, majesteitelijk doenden meervoudsvorm, waarmede wij goede journalisten, ons niet zonder succes ’n klontje geloofwaardige meerderheid weten aan te schminken. „Wij” dan hadden al lang afstand gedaan van dat kinderachtige natuurnabootsen. Architect en tuinkunstenaar één, huis en tuin één incubatie! Een créator voor beiden!

Hij boeide me, wuifde zich toe met een beslist naar bloemen riekenden zakdoek, da. nam onwillekeurig voor den man in. Of ik baron zoo en zoo kende? „Nee,” zei ik. — „Jammer,” zei-ie, en vervolgde: „Die heeft ’n juweel van ’n tuin en ik zeg, dat daarom, omdat uw tuin precies dezelfde verhoudingen heeft, al ‘is ’t iets kleiner. Kent u den tuin van den Chmeeschen gezant? Neen? Nu enfin, kijk U ’s hier, we hebben hier bij U te doen met bescheiden maten, we zouden hier ’n Japansche dwergcultuur kunnen aanbrengen, met verspringende steenpaadjes tusschen de vijvertjes, maar dan moet alles in gewapend beton met Eifelrots…”
„Nee” zei ik „Nee. nee, meneer, eenvoudig blijven, niet te duur.”
„Precies,”, ze! hij „ik heb connecties met Stuttgart, m’n neef is te Dresden hoftuin…”
„Nee, nee,” zei ik, „eenvoudig, héél eenvoudig…”
…„Hij zou U anders voor ’n f 100 een geheel plan kunnen maken, dat …”
„Nee, nee,” zei ik „maak het doodeenvoudig.” Ik begon ’t warm te krijgen, ik voelde me wegslinken, klein worden, heel klein.
Wij maakten ten slotte af, dat we ’n kaarsrecht pad zouden krijgen van de veranda tot aan de achterschutting, het kolenhok zou hij „wegdoezelen als pseudo-pergola” achter ’n groep groenblijvende sierheesters, het pad zwaar gemacadamd met palmpjes als randversiering, een vierkant perk rozen rechts, net zoo’n perk links en overigens grasgazon. Het kostte f 145. Maar dan had ik ook een symetrisch-aangelegden, prima Engelschen tuin. Ik was blij. We maakten ’n contractje. Je moet met je tijd mee, niet waar?
Toen ik drie dagen later thuis kwam, was de tuin klaar!
Er lag ’n pad in vol puin (van ’n afbraak aan den overkant) zoowat om de twee voet piekte er ’n palmpje uit de steen op; het „gazon” was grijsgrauwe grond, die volgens zijn zeggen “ingezaaid” was. De twee rozenperken bevatten elk 3 rozestruikjes en de pergola bestond uit 5 duivelatten, waarvóór ’n paar magere tuya’s en ’n ziekelijk hulstboompje. Waarde plus arbeid hoogstens een f 30.
Weggegooide rommel uit ’n anderen tuin was het en den volgenden dag hing hij reeds aan de bel met de rekening. Hofleverancier bleek-ie in de verste verte niet, maar dat had hij ook nooit gezegd, beweerde hij. Ik heb ten slotte maar betaald.

Ik heb nog eens ’n zwaar gerecommandeerden tuinchinees gehad, met abonnement!
Die zou van klokke 2 tot klokke 5 elke week m’n tuin in orde houden.
Dan verscheen er een op ’n overrijpe Reine Glaude gelijkende, dikke, paarsblauwe breede kerel in ’n klepbroek. Hij kwam tegen half 3. verknoopte z’n snoeptafel van rechts op links, harkte een handvol blaadjes in ’t pad, herknoopte de monumentale klep weer naar rechts, produceerde, masseerde en stouwde ’n pruim zwarte tabak, harkte de blaadjes in ’n mandje, verhuisde z’n pruim naar het concave deel van zn zwaren kop, knoopte z’n snoeptafel weer links vast, wurmde zich in ’n dulfelsche jas en was precies 3 uur verdwenen.

Ik heb nog eens ’n pracht-tuinman gehad. Vaste woonplaats had hij nooit, dan wel heel kort. Dan weer had hij ’n bloemenmagazijn Floralia in het Zuiden der stad, dan weer de Dietsche Warande in Duinoord, dan weer De lusthove in het centrum, maar na ’n week was hij weer onvindbaar. Hij verhuisde om zoo te zeggen altijd vóór de belasting uit.
Hij leverde direct, maar dan ook contant! Smeerde je van alles aan, wat in blakenden welstand in je grond kwam maar na ’n paar weken dood ging. Hij zaaide van alles, maar ’t kwam niet of slecht op. Ten slotte snapte ik hem. Hij bewerkte het geleverde met petroleum en verving wijlen de gesneuvelden ijverig en vlug door nieuwe exemplaren. Hij zaaide steeds gehuld in ’n lange overjas. Het schoone gebaar van Millet had hij goed te pakken, maar de zwaai der rechterhand eindigde altijd in den linkerbinnenzak van de overjas. Ik zag hem eens van uit m’n huis op ’n draf je ’n tram halen; de overjas was zwaargeladen en zwaaide binnenste buiten. Dit beeld van ’n hoorndolgeworden koe met volle uiers bezorgde hem ten slotte z’n congé.

Ik herinner me ’n ander geval, ’n zielig verhaaltje.
Het waren de twee venters met „m a u j e f i o l e”. Als ze de straat inkwamen riep de eerste der broers luidkeels „m a u j e f i o l e, 13 cent!” en dan volgde, ’n huis of 10 daarachter de andere broer, die riep dan nog luider „m a u j e r e u z e f i o l o, 10 cent!”
De eerste had ’n bril op en zag er zoo door ’n door goedig uit. Ik sprak eens wat langer met ‘m, toen ie ’n keer alleen was. „Waar is je concurrent?” vroeg ik, „die je altijd achter de vodden zit?” – En toen kwam ’t verhaal, na heel wat vragen en nog eens vragen voor den dag. „Och meneer,” zei-ie, „’t is geen concurrent, we benne broers en ik ben maar de lokvink. Als ik 13 cent roep en de deuren gaan open, dan hooren ze hem, die ze voor 10 cent aanprijst en dan koopen ze.” „Maar kerel,” zeg ik, waarom laat je je dat welgevallen?” „Och, meneer,” ik kan toch niet alleen met me wagen op stap.” „Waarom niet?” vroeg ik. „Omdat ik zoo slecht zie, ik zie bijkans niks meer en met hem samen verdien ik m’n onderdak bij ‘m.” Ik vertrouwde hem, niet, stelde ‘m op de proef en telde ‘m f 2.40 in de hand, 4 centen voor kwartjes gevende. Hij nam zn pet af, bedankte nog ’s extra, had er niets van gezien! Toen riep ik ‘m terug. Het was dus alles waar, wat ie me verteld had. Hij had maar één levenswensen: opgenomen te worden in ’t Blindeninstituut en dat is nu gelukkig gebeurd.

Bert was de gladste, de geniaalste tuinman, dien ik ooit heb ontmoet, ’n Prachtvent. Hij had altijd nieuwe trucjes en schelde alleen daar aan, waar ’t niet gevaarlijk was, bij jong getrouwde vrouwtjes, waarvan de eigenaar zijn b. b. h. h. of bij murwe weduwen en alleenwonende oude dames. ’n Dóór en dóór eerlijk, innemend blozend gezicht, glundere lach, prettige stem, beleefd, kwistig van petzwaai, met van die mooie, zachtblauwe kinderoogen, maar ’n doorgefourneerd onbetrouwbaar heerje!
Hij verscheen b.v. met een vlug handwagentje met rhododendrons onder ’t blijde geroep van „De laatsten, de laatsten!”
In ’n kwartier was-ie uitverkocht en had in zoo’n straat ’n 20-tal mooi in bloei staande planten in helder rozerood gewasschen potjes verkocht tegen ’n gulden ’t stuk en — weg was ie weer.
Het waren vermoedelijk uit tuinen of parken gestolen knoppen zonder wortel, die den volgenden dag slap neerhingen. Dan opereerde hij weer in ’n andere buurt met ’n wagentje anjelieren of hortenzia’s, en reed weer snel met zn leege karretje naar huis. Hij leverde kunstmest! Groote goden, wat dat wel geweest mag zijn?! ’n Mengsel van straatvuil. Zambuk, Haarlemmerolie, Abdijstroop, Pinkpillen-extract en Joost mag weten wat. Hij leverde schelpen. Aldus ging dat toe: Hij loste met veel vertoon van werkwilligheid ’n kruiwagen (vermoedelijk versch gegapte) schelpjes, en liet zich betalen; kwam dan terug, zei, dat hij de verkeerde soort had gebracht, maar een huis of wat verder even ’n kruiwagen van die mooie roze schelpjes zou halen, laadde weer op en verdween!
Probeerde ’t spelletje weer bij ’n andere lieve oude dame, die den vriendelijken hupschen jongen gaarne vertrouwen schonk. Z’n mooiste boevenstreken waren op ’t gebied der tropische gewassen. Hij verkocht aan ’n bekoorlijke jonge weduwe ’n mooie cactus a f 1.50 met Latijnsch naamhoutje. ’t Was ’n groote augurk, gelardeerd met meidoornen.
Aan een lieve oude dame bood hij ’n jonge cactusplant van de Congo aan, keurig opgebonden met raffia aan ’n frisch geel rietje. Het was ’n echte C a c t u s C o n g o l i e n s i s en ze zou over 6 maanden mooie rooie trosbloemen geven. Voor 3 gulden, te geef.
Na drie dagen dacht de goede ziel: wat riekt ’t hier eigenaardig! De meid zei den vierden dag: „Juffrouw, wat stinkt het toch erbarmelijk in het salon”. Op de lucht afgaande, die sterker werd, naarmate men de zeldzame plant naderde, werd het exotische gewas van boven voorzichtig beetgepakt en bleek de cactus Congoliensis een dooie rat te zijn. waarvan de met zorg opgebonden staart kaarsrecht overeind stond. Ja, Bert was ’n genie in zn vak!
Pim Pernel.

Stadspark Kampen of Kamper plantsoen (2)

Na de voorgaande korte tekenserie (1835) met het Nieuwe werk te Kampen nu een langere serie van enkele jaren later (1840-1844). Gewoon leuk plaatjes kijken.
Jan Holwerda


‘Buiten Haven na de Stad te zien, 15 Augt 1842 voorm. 11 uur RG’ (1842), Dirk Boele (Archief Kampen). Aan de noordzijde van het centrum van Kampen.


‘Buiten Haven en een gedeelte van het Nieuwe Werk, 1842, 10 Augt voorm. 7 uur LG’ (1842), Dirk Boele (Archief Kampen).


‘RG 15 Augt. 40 des Av 6’ (1840), Dirk Boele (Archief Kampen). Schets van de heuvel bij de ingang van de Buitenhaven.


‘Noordeinde van het Nieuwe werk, buiten de Hagenpoort, 5 Aug 42 voorm. 7 uur RG’ (1842), Dirk Boele (Archief Kampen)


‘RG 26 Aug 40, des Av 6’ (1840), Dirk Boele (Archief Kampen). Gezicht op de koepel in het plantsoen ten noordwesten van het centrum van Kampen.


‘Van af de bank, op de Broederpoort langs het n werk en Cingel te zien. 1842 – 21 july voorm. 7 uur’ (1842), Dirk Boele (Archief Kampen). Gezicht uit de koepel richting de Broederpoort ten westen van het centrum van Kampen.


‘V in G 22 Augt 40 des Av 6′(1840), Dirk Boele (Archief Kampen). Schets van de Broederpoort met het nieuwe plantsoen.

‘RG, 10 aug 40, des Av 7”Dirk Boele (Archief Kampen). Gezicht op de Broederpoort en het nieuwe plantsoen.


’10 Augt 1844′ (1844), Dirk Boele (Archief Kampen). Potloodtekening, iets met inkt bijgewerkt van de Cellebroederspoort aan de zuidwestzijde van het centrum van Kampen.

Stadspark Kampen of Kamper plantsoen


Gezicht van het Nieuwe-Werk, op de Stad Kampen (1835), J.H. Prins Jongeling – Delin (Archief Kampen). Aan de noordzijde van de wal/stad, zie onderstaande kaart.

Een aantal afbeeldingen van het stadspark of plantsoen te Kampen, niet lang na aanleg. Met dat ‘jonge beeld’ in aantrekkelijke ‘ietwat primitieve’ tekeningen.

In 1809 schonk koning Lodewijk Napoleon de vestingwerken van Kampen aan de stad. Daarna begon een geleidelijke afbraak aan zowel de IJssel- als de landzijde; vanaf 1812 werd een groot deel van de stadsmuur aan de landzijde ontmanteld. Alleen de Broeder- en Cellebroederpoort bleven bewaard. Onder stadsarchitect Nicolaas Plomp (werkzaam 1825-1852) werd in 1830 begonnen aan een min of meer planmatige metamorfose, dit werd voortgezet onder de architect Pieter Bondam (werkzaam 1852-1863).


Gezicht van het Nieuwe-Werk, aan den Singel te Kampen (1835), J.H. Prins Jongeling – Delin (Archief Kampen). Aan de noordwestzijde van de wal/stad, zie onderstaande kaart (rond heuveltje).

De recreatieve functie van de stadswallen werd door Plomp versterkt door er een wandeling aan te leggen. Bondam verbreedde die wandeling en streefde naar een parkachtiger opzet, met de stadsgracht en de (waterkerende) wallen en dijken als beeldbepalende elementen.


Gezicht van het Nieuwe-Werk, buiten de Haven-poort te Kampen (1835), J.H. Prins Jongeling – Delin (Archief Kampen). LeesHagenpoort; in de achtergrond een zeilschuit op de IJssel. Aan de noordzijde van de wal/stad, zie onderstaande kaart (tegen de IJssel).

In 1863 maakten J.D. en L.P. Zocher een ontwerp voor het Tweede en Derde Plantsoen, dat drie jaar later was voltooid. Het Eerste Plantsoen bleef ongewijzigd. In 1915 is het ontwerp van het stadspark wederom herzien, onder leiding van Leonard Springer, omdat zowel het stadsziekenhuis als de hogereburgerschool de harmonie van het stadspark ernstig hadden aangetast.
Jan Holwerda

Schilderij met de Broederpoort en stadsmuur en het ten westen gelegen plantsoen (ca. 1835), door F.J. Buijtendijk (Stedelijk Museum Kampen). Hier kijk je vanuit het noordwestelijke plantsoen in zuidelijke richting.

Kaart met Kampen (1846-1847), uit serie Kaart van de rivier de IJssel van Westervoort tot Kampen in 20 bladen benevens 2 supplementaire bladen (1840-1847) (Gelders Archief).

Landgoed De Braak

(OVERGENOMEN)

Vlakbij de stad Groningen op de provinciegrens met Drenthe, ligt het landgoed De Braak. In de zeventiende eeuw stichtte de Groningse elite hier een buiten, gelokt door het aantrekkelijke landschap zo dicht bij de stad. Eerst waren het de welgestelde burgers die hier hun buitenverblijf hadden, later zou De Braak een geliefd wandeloord worden voor de Stadjers. In 1827 kocht ondernemer Abraham Hesselink het landgoed en gaf hij de bekende tuinarchitect Lucas Peters Roodbaard (1782-1851) opdracht om de strakke lanen te transformeren naar een landschappelijke aanleg  met schitterende waterpartijen. De erven Hesselink hebben eind negentiende eeuw De Braak verkocht aan de bekende Groningse industrieel Jan Evert Scholten. Dat was het begin van een aantrekkelijk en succesvol openbaar wandelpark.

In 1902 kocht het jonge Natuurmonumenten De Braak, waarmee het voor deze vereniging de eerste aankoop van een landgoed was. De publieksfunctie van dit wandelpark was daarmee ook voor de toekomst gegarandeerd voor stad en streek. De inwoners van de stad Groningen en ver daarbuiten genieten sindsdien van de natuur en cultuur van deze fraaie negentiende-eeuwse landschappelijke aanleg.

Els van der Laan-Meijer en Michiel Purmer, Landgoed De Braak. Twee eeuwen cultuur- en natuurbeleving, ISBN 9789056157265, €17,50, 88 p. € 17,5 (link)

‘nieuwe allee’ door bestaande cultuurgronden


Kaart van percelen weiland gelegen tussen de weg Amersfoort-Naarden en de Eultweg, evenwijdig aan de Pijnenburgsche Grift bij Soestdijk, met weergave van de ontworpen zichtlijn van Soestdijk (1767), J. Leupenius (Bron: Het Utrechts Archief link)

Bladerend door Het Utrechts Archief kwam ik bovenstaande kaart die betrekking heeft op de ‘nieuwe allee‘ voor Soestdijk tegen. Het mooie is de doorsnijding van het bestaande landschap door zo’n nieuwe structuur. De cultuurgronden waren andermans bezit en werden door Willem III aangekocht. Uit 1676 dateert een akte van transport van verschillende stukken land met een totale grootte van ‘2 morgen 314 3/5 roeden ten behoeven van de grote nieuwe allee‘ … door C.A. van de Marssche aan prins Willem III.


Kaarten van Honselaarsdijk, uitsneden betrekking hebbend op de laan voor het Huis (ca. 1615, 1615-1625 en 1625), Floris Jacobsz van der Sallem (Bron: Nationaal Archief link)

Zo’n doorsnijding doet denken aan die van de laan voor Honselaarsdijk; van veel eerder datum, onder Frederik Hendrik. De eerste invulling, ‘afgesteeken tot behouf vande nieuwen laen‘, en de doorsnijding van het aldaar bestaande landschap, staan op een kaart van circa 1615. Verder uitgewerkt staat ‘de honsholredijckse laen‘ op een kaart van zeg rond 1620. Een laatste kaart uit 1625 laat vervolgens de laan in volle glorie zien.


Caarte van ’t Rapen-blok resp. ’t Blok ’t Enkholt onder Noord Apeldoorn (1708), Justus van Broeckhuysen (Bron: CODA, twee zwart-witte scans ‘gelast’, origineel in kaartboek in Het Utrechts Archief, maar niet online beschikbaar link1  link2).

Een derde voorbeeld onder De Oranjes is dan natuurlijk Het Loo, onder opnieuw Willem III. Hij kocht ‘in november 1685 … seeckere parthie Landts, gelegen op de linie van de nieuwe Laen off Allée voor ’t nieuwe Huys Loo, groot ses schepsels gesay‘ en de aanleg van de Paleislaan volgde. Ook hier bestaat een kaartje die de doorsnijding door het bestaande landschap laat zien, helaas van later datum, 1708 (eigenlijk zijn het twee kaartjes die ik ‘gelast’ heb).

Om nog even terug te komen op de ‘grote nieuwe allee’ bij Soestdijk. Een andere tekening (collectie Bodel Nijenhuis) laat zien dat in oostelijke richting, voorbij de Torenlaan, een vervolg tot de Eem was gedacht. De eerste kaart en de gerealiseerde laan meten slechts 1/3 van het totale gedachte tracé…
Jan Holwerda