Is een landgoed ‘iets buitenlands’?

Naar aanleiding van het lezen van het woord ‘landtgoed’ gooide ik dat woord en de schrijfwijze ‘landgoed’ eens in Delpher. Gewoon om eens te zien vanaf wanneer het voorkomt en of er verder wat boven komt drijven.

Een eerste keer, in Delpher, in een bericht uit 1691, maar dan het opvallende. Decennia lang en in honderden berichten komt het woord landgoed alleen voor in berichtgeving vanuit het buitenland. Zeg in de korte nieuwsflitsen vanuit of betreffende een gebeurtenis in het buitenland. Het zijn met name flitsen met nieuws uit ‘Groot Brittannien’, ‘Vranckryck’, ‘Duytslant en d’aengrensende Rijcken’, maar ook alle andere landen komen meer of minder frequent voor. En soms is het uit ‘Nederlanden’, en betreft het haast altijd een landgoed in het tegenwoordige België. Zeg driekwart eeuw lang heeft het woordgebruik betrekking op objecten in het buitenland. Deze en gene is gestorven op dat en dat landgoed; of die en die bezoekt, is vertrokken naar, aangekomen op of verblijft op dat en dat landgoed; of zus en zo heeft dat en dat landgoed gekocht, gehuurd of gebouwd enz.

Enkele vroeg Nederlandse vondsten (gezien het jaartal 1691 lijkt het ‘In Nederland gebeurt alles 50 jaar later’ ook hier van toepassing):
1741 Verkoop van ‘zwaere eyke boomen’ op ‘Landgoed de Horte…, tussen Swol en Dalfsen’
1742 Verkoop van ‘landgoed, Bieverden’, in de Achterhoek; de advertentie lezende een boerderij en niet een buitenplaats
1752 Vermelding van het bezoek van een aantal Oranjes aan ‘landgoed Clarenbeek’ bij Arnhem
1754 Verkoop van ‘landgoed of de hofsteede genaamde Laresteyn’ bij Velp

Vervolgens is het aantal advertenties iets groter, maar het aantal blijft beperkt en betreft net zo vaak een groot stuk land, vaak in uiterwaarden, een ‘stuk landgoed’.
Pas in het laatste kwart van de 18e eeuw neemt het woordgebruik bij Nederlandse objecten toe, en gezien de herhaalde advertenties van een en hetzelfde object, misschien zelfs beperkt toe.
Daar waar wij buitenplaatsen, hofsteden en al die andere betitelingen in welke schrijfwijze dan ook kennen, heet alles over de landsgrens landgoed.
Voor het gemak? Als verzamelnaam?
En grappig, tegenwoordig zegt het woord landgoed bij het grotere publiek misschien nog iets, maar buitenplaats nauwelijks en andere oude benamingen al helemaal niets meer; die namen doen haast buitenlands aan. In de 18e eeuw lag het misschien wel andersom; al die benamingen waren haast gemeengoed en landgoed was iets buitenlands, als gelegen in het buitenland.
Jan Holwerda

(En ja om het helemaal hard te maken moet je eigenlijk met buitenlandse objectnamen zoeken en kijken of ze ook met een andere duiding dan landgoed voorkomen, maar daar moet iemand dan maar eens een echte studie van maken.)

Facebooktwitterlinkedinmail

3 reacties op “Is een landgoed ‘iets buitenlands’?

  1. Wellicht heeft het er iets mee te maken dat ‘landgoed’ strikt genomen vermoedelijk een germanisme is. Vgl. de.wikipedia.org/wiki/Landgut.

  2. Als je zoekt in het Etymologisch Woordenboek (mijn ex. is Van Dale 1991) blijkt dat het woord landgoed er helemaal niet in voorkomt. Dus geschiedenis van het woord niet bekend? CO

  3. Het Woordenboek der Nederlandse Taal (WNT) geeft enkele voorbeelden, maar het lijkt inderdaad tamelijk zeldzaam te zijn. Het lemma ‘landgoed’ werd overigens gepubliceerd in 1912…

    Het oudste voorbeeld in het WNT dateert uit 1625 en komt voor bij Jacob Cats. Hier wordt het gespeld als ‘lantgoet’ en gebruikt ter illustratie van de betekenis (onder verwijzing naar het lemma ‘land’):
    ‘In collectieven zin; land in de bet. 1) of 4). Bezit aan land, landbezit, landeigendom. Ongewoon.’
    Cats schreef: ‘Wie lantgoet koopt, ook maer een voet, … Hy laet op alle boecken sien, … Of ’t niet voor renten is verpant,’ (Jacob Cats, Alle de wercken van den Heere Jacob Cats, Amsterdam, 1726, deel 1, 270 b). Dit lijkt niet specifiek op buitenplaatsen/hofsteden gericht.

    Betekenis 2 luidt (weer verwijzend naar het lemma ‘land’): ‘Als voorwerpsnaam; land in de bet. 2). Een groote uitgestrektheid gronds die men op het platteland bezit; in den regel verbindt men aan landgoed de voorstelling dat de grond althans ten deele in cultuur is gebracht, vaak ook dat het landgoed als buitenverblijf dient of kan dienen.’
    Dit citaat uit 1671 lijkt dan ook meer van toepassing op ons vakgebied te zijn: ‘Byaldien … geen veranderinge off beteringe en compt, is het absolut met de lantgoederen gedaen, en sullen de cantoiren de beste middelen wesen om van te leven,’. Bron: Briefwisseling tusschen de gebroeders Van der Goes 1659-1673. Uitgegeven door C.J. Gonnet (Werken Hist. Gen. 3e serie, nr. 10-11). Uitgave: 2 dln. Amsterdam, 1899-1909.

    De samenstelling landgoed wordt in het lemma ‘goed’ geschaard onder een betekenis die aan het hoogduits is ontleend, inderdaad een germanisme. Verklaart dat (mede) de concentratie van Overijsselse/Gelderse voorbeelden in bovenstaand bericht?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Anti-Spam vraag: