Sparren voor de stadmuur van Amersfoort

Op de tentoonstelling De Ontdekking van Nederland: vier eeuwenlandschap door Hollandse meesterschilders (CODA Museum Amersfoort, 12 juni t/m 28 september 2008) werd mijn aandacht getrokken door het Gezicht op Amersfoort, geschilderd in het rampjaar 1672.
Ik heb de tentoonstelling voornamelijk opgevat als een persoonlijke liefdesverklaring van Henk van Os aan het Nederlandse geschilderde landschap. Inderdaad juweeltjes van fijnzinnigheid en vergeestelijkte impressies van Hollands groen en blauw, zeer de moeite waard.
Biohistorisch gezien was er één detail wat mij bleef intrigeren, namelijk de rij sparren vóór de stadsmuur van Amersfoort, op het schilderij van Matthias Withoos, waarvan hieronder een detail wordt afgebeeld. Wat is er zo bijzonder aan dit detail?


Gezicht op Amersfoort (met sparren voor de stadsmuur), Matthias Withoos(1672). Detail.
Collectie Flehite Museum Amersfoort. (klik hier voor een digitale versie van schilderij elders op internet)

De fijnspar is in 1672 niet gemeengoed in Nederland. Toch wordt de boom al eerder in betrekking tot Amersfoort genoemd, namelijk in het gedicht Nimmer-dor berymt (1667) van Everard Meyster. Hij bemint de evergreens en heeft het over groene quekerijen vol pingelen(= pijnbomen), enterijen van grof en fijne spar, van eylof (= klimop), en van palm (= Buxus), hulst, en sevenboom (= Juniperus). Bijzonder is dat Meyster zelfs Withoos in zijn gedicht noemt: Een ongeschildert groen, berooft van verwerijen, Natuer gaet boven konst, hier treft geen kunstpenceel, (Al waer ’t van Withoos selfs) een sulcken lustprieel.  Zou Meyster, de dolle jonker, het stadsbestuur, waar Withoos deel van uitmaakte, er toe gebracht hebben, die sparren daar te plaatsen? Maar waarom? Om de stad van de buitenzijde een mooi aanzien te geven?

Twee jaar na het gedicht Nimmerdor berymt beschrijft ook Jan van der Groen de fijnspar in zijn boek Den Nederlandtsen Hovenier(1669):
VAN DENNE, OFTE MAST-BOOMEN. Het zaedt wordt ons toe-ghesondenuyt Noorweghen, en gheweyckt zijnde in water, wordt het ghezaeyt in de Maent Meert, in eenen back: den eersten Winter wordt het ghedeckt voor de schrale winden, en ’t laetste van Meert, ofte eerste van April,sal-men die verplanten, twee voeten van malkanderen, in goede savelachtighe aerde: voorts 4. oft 5. jaren out zijnde, kan-men die verplanten in soodanighen Bosch, Laen, oft Dreef, als-men best oordeelen sal, men set se als dan 16. oft 18. voeten van malkanderen, men queeckt se oock wel aen van stecken, doch dan worden se soo gheen op-gaende Boomen,als de ghezaeyde; daer zijn oock verscheyde soorten, namentlijck viere, greyne, fijne ende grove Masten, met deseby-soorten, als daer de Pijn-appels aen wassen, als mede Lariese, die-menniet kan branden, en is des Winters bladeloos ofte dor.

Meyster heeft het dus over grof en fijne spar en Van der Groen noemt ze fijne en grove masten. Duidelijk is dat genoemde (eigenlijk 2 verschillende genera van de familie Pinaceae) in 1669 nog geen gemeen goed zijn, men moet ze zelf uit zaad opkweken van bomen die thuishoren in het bergland van Noord-Europa (Noorwegen). De namen die Van der Groen opgeeft naast de Larix, komen overeen met de ons bekende namen voor dennen en sparren; viere is vurenhout (= fijnspar, Picea abies), greyne is grenenhout (= grove den, Pinus sylvestris), de fijne Mast is de fijnspar en de grove Mast is de grove den; men dient de bomen volgens zijn opgave 4,8 tot 5,4 meter uit elkaar te planten. Zowel sparren als dennen kende men dus wel, maar het waren bijzondere bomen uit Noorwegen.

Ik heb er nooit echt gericht naar gezocht, maar misschien hebben we hier wel te maken met de eerst afgebeelde sparren op een Nederlands schilderij. De spar zal pas veel later, in de 19de eeuw een rol gaan spelen in de tuinarchitectuur, bijvoorbeeld bij Zocher jr.
Wie weet eerdere afbeeldingen van de spar in de schilderkunst en wie heeft er een idee van de functie van deze sparrenaanplant zo vlak buiten de stadsmuur?

Zie ook: D. Hamer en W. Meulenkamp. Nimmerdor en Doolomberg: Twee 17de-eeuwse tuinen van Everard Meyster. Bulletin KNOB 86 (1987), p.3-14.
Zie voor het Mastbos in Breda en de mastbomen op Hofwijck de volgende weblogs.  CO

Facebooktwitterlinkedinmail