Collegereeks door prof. dr. Erik A. de Jong over tuin en park tussen natuur en cultuur.

De Hortus Botanicus van Leiden (1610), Jan C. Woudanus.
Nietsche schreef in zijn Die fröhliche Wissenschaft uit 1882 over wat volgens hem in grote steden zijns inziens ontbrak: `stille en ruime, uitgestrekte plaatsen om na te denken (..) bouwwerken en plantsoenen, die als geheel de verhevenheid van de bezinning en de afzijdigheid uitdrukken. (..) Wij willen ons in steen en plant vertaald zien, wij willen in ons gaan wandelen, wanneer wij in deze hallen en tuinen wandelen‘. Treffend verwoordt de schrijver hier hoe architectuur en park in evenwicht bij elkaar horen. Zij vertegenwoordigen samen onze levensruimte, fysiek en contemplatief.
Een samenhang die niet meer, niet minder is dan een continue dialoog tussen stad en landschap, tussen straat en park, tussen huis en tuin, tussen steen en plant. In onze stedelijke samenleving hebben we eerder de geschiedenis van de architectuur beschreven, veel minder die van tuin of park.
Deze collegeserie wil proberen chronologisch van de 16de eeuw tot heden hoofdstukken van zo’n groene cultuurgeschiedenis over het voetlicht te brengen aan de hand van voorbeelden uit Nederland en daarbuiten. Tuin en park zijn immers universeel. We gaan uit van de premisse dat tuin en park zowel natuur zijn als een kunstvorm, een laboratorium van de samenleving maar ook een omgeving voor het individu. Tuin en park vertegenwoordigen een dubbele werkelijkheid: die van de actuele plek en die van verbeelding en verlangen.
14 donderdagen in september tot en met december, van 14.00 tot 16.00 uur, Artis Amsterdam. Voor meer details en aanmelden, klik hier.

Op internet las ik de zinsnede ‘Pompejaanse bank op Duinlust weer in zijn oorspronkelijke staat terugbrengen’; een restauratieproject van Stichting Ons Bloemendaal.




Bij de tentoonstellingsonderdelen buitenplaatsen en siertuinen, maar ook botanie aan de universiteit, de plekken waar het feitelijk werken in de tuin aan bod komt, zouden wij ook graag het gebruikte tuingereedschap tonen. Afbeeldingen uit de 17de en 18de eeuw zijn er voldoende, maar het werkelijk gebruikte gereedschap ontbreekt. Natuurlijk ook niet zo vreemd, het gereedschap was er om gebruikt te worden, niet om te verzamelen.
Nu de tentoonstelling. Het gaat maar om 15 schilderijen, waarvan het merendeel bloemstillevens en enkele pronkstukken / tafelstillevens. Verder een Kunstboek van Catharina Backer met plantentekeningen en enige boeken en prenten als achtergrondinformatie. De bloemen zijn gedetermineerd door de bioloog en bloemstilleven-specialist Sam Segal, door wie ook de begeleidende tekst van het boekje is geschreven. De nadruk wordt gelegd op het feit dat deze kleine collectie de hele ontwikkeling van het 17de en vroeg-18de-eeuwse bloemstilleven laat zien: van symmetrische bloemstukken naar bloemboeketten in losse schikking. Naast de determinaties geeft Segal in zijn boekje en in een hand-out de ‘mogelijke’ symbolische betekenis van de planten op, jammer genoeg zonder bronnen te vermelden. Toch zal ook ‘mogelijke’ symboliek verklaard moeten worden lijkt mij, of kun je met toevoeging van dit woordje afkomen van nader onderzoek? CO
Vanaf 9 juli is de tentoonstelling ‘Groen van Toen: Van buitenplaats tot schooltuin’ te zien in de Forumbibliotheek op Wageningen Campus.


In nov 2006 hadden we een berichtje over

