Alkmaars groene verleden

2012 was het Jaar van de Historische Buitenplaats. Veel is toen gepubliceerd. Veel gezien, maar deze was ik niet tegengekomen: Alkmaars groene verleden. Een uitgave van de gemeente Alkmaar, ter gelegenheid van de Open Monumentendag op 8 september 2012. Tot stand gekomen door samenwerking met het Regionaal Archief Alkmaar en het Stedelijk Museum Alkmaar.

Nu toch nog even noemen, want nu digitaal beschikbaar, download hier. Vlug even gebladerd, zitten leuke dingen in. Ook even een zoekactie via Ctrl-F, naar Gijsbert van Laar natuurlijk. Hmmm, die staat er niet in.

Gonna de Reus, Harry de Raad, Nancy de Jong (red.), Alkmaars groene verleden, Alkmaar 2012, ISBN 978-90-819652-0-0, 185 pp.

Facebooktwitterlinkedinmail

Wie is de architect van Oud-Rosenburg te Loosduinen/Den Haag?


Oud-Rosenburg te Loosduinen/Den Haag  Bron: www.monumentenzorgdenhaag.nl

Carla Oldenburger zou graag achterhalen wie de architect van Oud-Rosenburg te Loosduinen/Den Haag is. Het huis aan Dadelplein te Den Haag werd in 1775 gebouwd in opdracht van Mr. Johan François van Byemont (schepen van Den Haag) op de plaats van een boerderij die zich tot kleine herenboerderij ontwikkelde.


Oud-Rosenburg in 1804, voor de verbouwing en met het nog rechte grand canal  Bron: Haagse Beeldbank

Vanuit het midden van het huis had men zicht over een ‘grand canal of zichtkanaal’. Mr. Hendrik Hooft (1676-1752) kocht het goed in 1721 van Byemont. Leden van het regentengeslacht Hooft bleven de buitenplaats precies honderd bewonen totdat jonkheer Louis Quarles van Ufford huis en landgoed kocht in 1821. In zijn tijd vond een verbouwing plaats in neo-classicistische stijl, waarbij het huis aan de voorzijde werd verrijkt met de aanbouw van twee zij-veranda’s.


Oud-Rosenburg circa 1908. Bron: Haagse Beeldbank

Wie kan Carla helpen aan de naam van de architect uit 1775 of  die van de restauratie/verbouw uit ca. 1825? Buitenplaats-architecten die in Nederland werkten in het laatste kwart van de 18de eeuw en/of in het eerste kwart van de 19de eeuw zijn onder meer Leendert Viervant jr., Abraham van der Hart,  Jacob Otten Husly, Jan de Greef, Zeger Reijers en Jan David Zocher jr.  De laatste drie zijn tijdgenoten van elkaar. Zij volgden alle drie tegelijkertijd hun opleiding in Parijs en Reijers en Zocher vervolgden hun opleiding in Rome. Natuurlijk moeten we ook denken aan deskundige timmerlieden die samen met de opdrachtgever de klus zonder architect geklaard kunnen hebben.

Over Zeger Reijers (een leerling van zijn oom, de architect L. Viervant) is verder bekend dat hij na zijn opleiding in Parijs en Rome, in juli 1813 terug was in Nederland en in augustus 1819 werd benoemd tot stads-bouwmeester te ’s Gravenhage. Zeger Reijers ligt begraven op de historische Begraafplaats Oud Eik en Duinen, even ten oosten van Oud-Rosenburg. Is Reijers wellicht de architect van de restauratie en verbouw van Oud-Rosenburg rond 1825?

Facebooktwitterlinkedinmail

Boerhaave Botanicus. Zijn tuinen, zaaiboeken en botanische vrienden

(OVERGENOMEN)

Dit boek gaat over een onbekende kant van de beroemde Leidse arts Herman Boerhaave: zijn leven als plantkundige.

In 1709 werd Boerhaave hoogleraar geneeskunde en kruidkunde, en prefect van de Leidse Hortus Botanicus. Binnen een jaar had h­ij een catalogus van alle planten in de Hortus samengesteld. Gedurende v­ijftien jaar noteerde h­ij – in zogenoemde zaaiboeken – alles wat h­ij zaaide of plantte in de Hortus en later op Oud-Poelgeest, het landgoed dat h­ij kocht omdat de Hortus te klein was voor zijn verzameldrift.

Bioloog Margreet Wesseling ontdekte in deze zaaiboeken een schat aan nieuwe informatie die zij combineerde met gegevens uit de vele brieven die Boerhaave schreef. In Boerhaave Botanicus presenteert de auteur een aanvulling op het beeld dat wij van de arts Boerhaave hebben. U leest over Boerhaave’s botanische vrienden, zoals de Brit William Sherard en Jean Baptiste Bassand, hofarts te Wenen; over Fransen, Italianen, een Spanjaard en een jonge Zweed. Overal vandaan stuurde dit internationale gezelschap­ zaden naar Boerhaave.

Bomen hadden Boerhaave’s bijzondere belangstelling. Op Oud-Poelgeest stichtte hij­ een arboretum met exotische soorten uit Noord-Amerika en Oost-Indië, maar ook alle soorten essen en wilgen die hij maar kon bemachtigen. Carolus Linnaeus, de later beroemd geworden grondlegger van o.a. botanische nomenclatuur, kwam er op bezoek en noemde het een waar paradijs.

Boerhaave Botanicus is een eerbetoon aan een man met een onverwoestbare werklust, een arts die zich in korte t­ijd een nieuw vakgebied eigen maakte en zoveel botanische kennis vergaarde dat h­ij van zijn vakgenoten internationaal veel waardering kreeg.

Margreet Wesseling, Boerhaave Botanicus. Zijn tuinen, zaaiboeken en botanische vrienden, Leiden 2018, ISBN 978-90-5997-274-2, €29,90, 220 pp.


Een bladzijde uit zijn zaaiboek, klik hier hier voor grotere weergave.

Facebooktwitterlinkedinmail

Groene vormgeving van herdenken en herinneren

Platform Groen erfgoed. Groene vormgeving van herdenken en herinneren.
Woensdag 6 maart 13.00-17.00
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Smallepad 5, 3811 MG Amersfoort

13:00 Inloop
13:30 Welkom door Joost van der Linden, dagvoorzitter en lid programmacommissie Platform Groen erfgoed
13:40 Herdenken vorm geven, Christian Bertram, docent architectuurgeschiedenis UvA
14:00 Herinneringsbomen, Simen Brunia, boomspecialist bij Bomencheck
14:30 Kamp Vugt, van concentratiekamp tot herinneringscentrum, Brigitte de Kock, medewerker collectie & publiek, Nationaal Monument Kamp Vught
15.00 Pauze
15.30 Nationaal Monument MH17 in Vijfhuizen, Robbert de Koning, Landschapsarchitect BNT
16.00 Landschap als laatste getuige , Stefan Delva, Delva, Landscape Architecture / Urbanism
16:30 Discussie
16:45 Speakerscorner
17:00 Afsluiting en drankje

Zie hier voor meer details.
De bijeenkomst is gratis bij te wonen, maar aanmelden is wel noodzakelijk. U kunt zich aanmelden met het formulier ‘Groen erfgoed’.

Facebooktwitterlinkedinmail

Van koninklijk jachtterrein tot parckfarm op Brusselse expo


Tentoonstelling Designed Landscapes  Bron: www.civa.brussels/nl

In het Brusselse architectuurcentrum CIVA is tot en met maart de tentoonstelling Designed Landscapes Brussels 1775-2020 te zien, over de ontwikkeling van het Brussels openbaar groen. Een aankondiging van deze expo haalde deze blog al eerder (zie hier).

De expositie hangt de geschiedenis van het groenontwerp van parken, boulevards en wijken nadrukkelijk op aan een brede artistieke en sociale context. In het midden van de grote ruimte staan panelen met een tijdlijn die invloedrijke gebeurtenissen in de Europese tuinkunst plaatst naast ontwikkelingen in andere kunsten, politiek en maatschappij. Daaromheen hangen originele ontwerptekeningen die de evolutie van de landschapsarchitectuur, zoals we die ook in Nederland kennen, reflecteert.

Het chronologisch geordende verhaal begint met het Warandepark; het iconische maar niet (meer) zo grote wandelpark met de ganzenpoot van drie brede dreven, werd in het laatste kwart van de achttiende eeuw aangelegd in het koninklijk jachtgebied door de Oostenrijker J. Zinner. In de eerste helft van de negentiende eeuw werd de mogelijkheid tot wandelen in de steeds vollere stad aanzienlijk uitgebreid door het slechten van de stadswallen. Ook particulieren zorgden voor het ontwerp van boomrijke pleinen en promenades geflankeerd door luxe villa’s.


Tentoonstelling Designed Landscapes  Bron: www.civa.brussels/nl

Heel fraai wordt de tentoonstelling waar originele ontwerpen geplaatst zijn boven foto’s uit de negentiende eeuw van het park in gebruik, vol wandelaars, ruiters en koetsen. De expositie bevat weinig specifieke uitvoeringsgerichte informatie, maar wanneer voor handen, zoals bij de brede Louizalaan (E. Keilig 1865) zijn de maatvoering en boomsoorten wel degelijk vermeld.
Koning Leopold II liet in zijn veertig jaar lange regeerperiode (1865-1909) verschillende parken aanleggen waarbij kennis en kunde regelmatig uit Parijs werd gehaald. De verscheidene wereldtentoonstellingen in Brussel jaagden grootse ontwerpen aan, en leverden niet zelden parken op die na afloop mochten blijven. Een paar themahoeken van de expositie tonen de typische aankleding van de negentiende-eeuwse parken met beelden en het gebruik van cementrustiek voor pittoreske bruggetjes.

Landschapsarchitectuur en stedenbouw raakten verder geïntegreerd bij het ontwerp van de tuinwijken die werden ontwikkeld als antwoord op de woningnood onder arbeiders na de Eerste Wereldoorlog. In dezelfde jaren experimenteerden Jules Buyssens en Jean Massart met ecologische tuinen voor de vrije universiteit in Oudergem. Veel ruimte is ingeruimd voor de zeer productieve René Pechère (1908–2002). Naast de ruim 900 ontwerpen die hij heeft afgescheiden, was hij actief in de bescherming van historische sites via bijvoorbeeld Icomos. De expositie eindigt met hedendaagse vormen van groenaanleg zoals het pocketpark en het farmparck waarin bewoners de kringloop sluiten.

Met een twintigtal ontwerptekeningen en aanvullende details en historische foto’s geeft de tentoonstelling een breed en aantrekkelijk overzicht van de Brusselse groenaanleg. De teksten zijn zeker informatief voor de inwoners van Brussel, mogelijk ook voor landschapsarchitecten maar wat minder voor de tuinhistoricus. De locatie van een architectuurcentrum schept de verwachting van wat meer professionele en historische diepgang. Designed Landscapes Brussels 1775-2020 zou wellicht beter tot zijn recht komen in een stadhuis of openbare bibliotheek. Op een dergelijk plek zou ook een Nederlandse variant een heel goed idee zijn.
Natascha Lensvelt

(zie ook CIVA)

Facebooktwitterlinkedinmail

IJskelder gevuld met 40 ton ijs


Industriële ijsblokken voor de ijskelder van Arenberg bij Heverlee (BE).

(deels OVERGENOMEN)

Winter, ijs en weliswaar een BE en geen NL bericht, maar wie weet ook in NL nog eens uit te voeren.

Vorig jaar werd de ijskelder van kasteel Arenberg bij Heverlee blootgelegd, leeg gehaald en gerestaureerd. Vorige week werd de kelder opnieuw volgestort, nu met ijs. Geen natuurijs uit een lokale vijver, maar industrieel geproduceerd ijs werd gebruikt. Een ijsproducent leverde 40 ton ijs in grote blokken die door vrijwilligers en anderen in de kelder werden gestort. Na nog een extra lading ijs wordt de kelder goed afgesloten om vervolgens de werking na te gaan. De overlevering wil dat het ijs in een dergelijke kelder gemakkelijk een jaar of langer bewaard kon blijven. Met enkele sensoren en een webcam zal het smeltproces nauwlettend in de gaten worden gehouden. Op Open Monumentendag 2019 zal de ijskelder opnieuw worden open gesteld zodat met eigen ogen kan worden vastgesteld hoeveel ijs van de initiële 40 toner na 9 maanden resteert.


In de ijskelder gestorte ijsblokken.

Facebooktwitterlinkedinmail

de zoogenaamde Engelschen smaak … die tot in het belagchelijke gedreven


Uitsnede (1806), Daniel Engelman.

De Friese predikant Hebelius Potter (1769-1824) was ik al vaker tegengekomen bij het ‘bijeen harken’ van publicaties met reisverslagen. Hij had een ‘zwerversnatuur’ en betrekkingen in Friesland, wilde naar Kaap de Goede Hoop maar kwam in Engeland, werkte in het Duitse Hanau en later nog in Soerabaja waar hij overleed.

In zijn Reizen door een groot gedeelte van Zuid-Holland, gedaan in de jaren 1807 en 1808 (1809) valt het onderstaande lange citaat te vinden; ik kon niet nalaten het te delen. Hij vertrekt vanuit Haarlem met de trekschuit naar Leiden en vindt in hetgeen hij ziet reden tot mijmeren over de ‘zoogenaamde Engelschen smaak’. Aangezien hij door zijn mislukte reis naar Kaap de Goede Hoop een periode in Engeland verkeerde, had hij aldaar al een en ander aan ‘vergelijkingsmateriaal’ gezien.

‘… verliet ik het bosch [Haarlemmerhout] en begaf mij naar de schuit, met welke ik naar Leyden vertrok: verrukkend is het gezigt langs de trekvaart: reijen van tuinen, met schoon geverwde zomerhuisjes, die aangenaam tusschen het groen geboomte uitsteken, versieren de oevers aan wederzijde, op verdere afstanden ontmoet het oog de treffendste gezigten van bosschen, duinen en sierlijke buitenplaatsen, in de rijkste afwisseling en verscheidenheid: prachtige huizen, van den smaak en rijkdom der bezitters getuigende, omringd van lagchende tuinen en welig geboomte, spiegelen zich schilderachtig in den breeden klaren stroom: ik vermaakte mij met dit heerlijk gezigt zo lang ik konde en de donkerheid des avonds aan het zelve een einde maakte.

Bij elke groote of kleine buitenplaats, die mij in het oog viel, kon ik niet nalaten de zoogenaamde Engelschen smaak optemerken, die tot in het belagchelijke gedreven wordt, daar men rijkelijk vruchtdragende boomgaarden uitroeit, om plaats voor een niets gevend onvruchtbaar Engelsch tuintje te maken: en zoo veel te bespottelijker wordt deze gewoonte, uit zucht tot navolging geboren, wanneer men weet, dat het geen men hier Engelsch belieft te noemen, in de daad niets van het Engelsche heeft: het is er verre van daan, dat de Burgertuinen in Engeland zulk eenen kronkelenden aanleg hebben, slingerende, tusschen zoogenaamde opgeworpene bergen, en uitgegravene beeken, welke laatste vooral, in vele gedeelten van dat land, zeer slecht zouden slagen: vierkante perken, voor het telen van groenten geschikt, langs welken regte, met graszoden in het middelste gedeelte belegde paden, ter wederzijde versierd met bloembedden, op welke hoog of halfstamde vruchtboomen op gepaste afstanden van elkander, ook wel een fraai struikgewas of sierlijk gekroonde Sijringeboom tusschen beide, het voornaamste gedeelte der tuinen uitmaken. Het zijn geenszins de gronden tot nuttige einden bestemd, maar enkel tot dat gebruik ongeschikte, overtollige of diergelijke bijzondere plekjes, die tot zulk een kronkelenden aanleg, en dan nog enkel maar voor bloemen en bloemdragend struikgewas, gebruikt worden. Wat voor het overige de groote en aanzienlijke buitenplaatsen aangaat, ook dezer aanleg is niet zoo Engelsch als men hier veelal wel gelooft: het zijn slechts de zoogenaamde Cottages of Hutten, in Engeland, die met de hier in gebruik zijnde aanleg eenige overeenkomst hebben: niet zelden ziet men, hier, de kronkelpaden, met bloem- en struikgewas en boschjes versierd, reeds bij de deur der woning beginnen, daar intusschen de Engelsche buitenplaatsen geheel vrij op eenen groenen grond, het zij dan op eene vlakte, of op het hangen van eenen heuvel liggende, een onbelemmerd uitzigt hebben over een park zoo verbazend uitgestrekt, dat wij er ons hier niet wel een juist denkbeeld van kunnen vormen, en hetwelk weiden voor talrijke kudden groot en klein vee, koornvelden, ja geheele natuurlijke bergen en bosschen in zich besluit. Hadden vele van die planmakers en raadgevers eens in dat land rondgekeken, zij zouden het verbazend onderscheid tusschen hier en daar ontdekken, en zien, hoe veel alhier niet Engelsch is, dat door hen en anderen op hun geloof daarvoor gehouden wordt. Intusschen hetgeen het best van allen is, zonder dat ik daarom eene aangename verscheidenheid in de eenheid zou afkeuren, de gevolgen van zulk eene ingebeelde volgzucht zijn niet zonder belang voor hovenieren en boomkweekers, die er, even als de modekraamsters, in een ander opzigt, wel bij varen.’

In Vaderlandsche letter-oefeningen 1810 staat een recensie van het reisverslag waarin het bovenstaande ook grotendeels wordt aan gehaald. Dit artikel sluit af met:

‘Wij Letteroefenaars, nu van onzen schrijver op dit onderwerp gebragt, billijken gaarne te dezen ’s mans oordeel; en onthouden ons noode in ons hoekje van den haard te meesmuilen over deze modekuur, die oude statige lanen omhakt, keurige en met smaak aangelegde bloemparterres vernielt, en in ons vlak land molshoopen van bergen opwerpt, en stijve uitgegraven slootjes in natuurlijk kronkelende beekjes tracht te herscheppen.’

Jan Holwerda

Facebooktwitterlinkedinmail

Herbouw Belvedère van Groenendaal (Heemstede) mogelijk na schenking


(GETIPT door Hans K).

De gemeente Heemstede heeft op 21 december 2018 een schenking van € 500.000 ontvangen om de Belvedère in het noordelijke deel van het wandelbos Groenendaal te herbouwen. De schenking is afkomstig van een broer en zus uit Heemstede, de heer G.H. Bids en mevrouw H.G Bids.

Henry Philippe Hope (1774-1839), van 1834 tot 1839 eigenaar van Groenendaal, gaf de ontwerpopdracht aan architect John Thomas Hitchcock (1812-1844). Over deze Amsterdamse architect, die in 1841 naar Java emigreerde waar hij in 1844 overleed, schreef Wilfred van Leeuwen een artikel in Binnenstad nr 273, november/december 2015 (zie hier).

De bovenste balustrade dateert van 1863. Hiermee reikte de belvedère even hoog als het dak van de Haarlemse Sint Bavo. In 1964 heeft men pogingen ondernomen de in verval geraakte toren op te knappen maar bij raadsbesluit van 26 augustus 1965 is uiteindelijk besloten de toren te slopen. De restanten zijn nog te vinden in het gedeelte van het wandelbos dat nu een losloopgebied voor honden is; een klinkerpad loopt naar de top van de heuvel, waar vandaan bezoekers vroeger een weids uitzicht hadden.

Herbouw van de Belvedère is een lang gekoesterde wens van de schenkers, van jongs af aan veelvuldig bezoeker van het Groenendaalse bos. Al in 2002 werd een eerste oriënterend gesprek over de mogelijkheden van herbouw gevoerd met de toenmalige burgemeester en wethouder.
Met de terugkomst van het uitkijkpunt worden ook oude zichtlijnen hersteld. Het uitkijkpunt krijgt waarschijnlijk een afsluitbaar deel dat eventueel gebruikt kan worden voor niet-commerciële doeleinden, bijvoorbeeld een kleinschalige expositie.

Alles over Groenendaal is te lezen in Groenendaal, van buitenplaats tot wandelbos (zie hier). En (van) alles is ook te vinden op een page over Groenendaal op Librariana.


Gezigt naar het belvedère van Bosbeek en Groenendaal (1844), P.J. Lutgers

Facebooktwitterlinkedinmail

Verborgen middeleeuwen in Het Groene Woud

Met enige aarzeling overgenomen. Niet sec een boek over tuinhistorie, buitenplaats of park. Maar wel een element, de grenswal, dat veelvuldig voorkomt op buitenplaatsen en landgoederen. Zeker ook in Nationaal Landschap Het Groene Woud, in de stedendriehoek ’s-Hertogenbosch, Eindhoven en Tilburg.

(OVERGENOMEN)
Dit boek over de grenswallen in de leembossen van Het Groene Woud gaat over een welhaast onzichtbaar verschijnsel. Ze maken al eeuwenlang onopvallend deel uit van het Brabantse cultuurlandschap. Dat wat bijna onzichtbaar is – de grenswallen – wordt door dit boek zichtbaar, waardoor alles wat op het eerste oog vanzelfsprekend lijkt, uitzonderlijk wordt. Daarmee wordt door de auteurs de kwetsbaarheid aangetoond van onze leembossen in het Nationaal Landschap Het Groene Woud, hetgeen onze onvoorwaardelijke zorg en aandacht blijvend nodig hebben. Met deze uitgave belichten we een van de oudste pareltjes uit Het Groene Woud, de uniek en gaaf gebleven middeleeuwse grenswallen. Onze voorouders bouwden een aantal van deze aarden grenswallen nog voordat ze in ‘s-Hertogenbosch in het begin van de 13e eeuw de eerste steen van de Sint-Jan legden.

Na het lezen van dit boek zal de lezer anders kijken naar het landschap in de kern van Het Groene Woud. De wallen zijn er, maar niet altijd goed zichtbaar. Toch vormen zij een wezenlijk en belangrijk onderdeel van onze eigen cultuurhistorische achtergrond. In dit boek worden de onzichtbare wallen aan ons gepresenteerd in al hun archeologische, ecologische, cultuurhistorische en politieke waarden. Het is een klein wondertje dat deze middeleeuwse wallen nog in zo’n uitmuntende kwaliteit aanwezig zijn.

Jac Hendriks e.a., Verborgen middeleeuwen in Het Groene Woud. Historische, landschappelijke en ecologische rijkdom van de grenswallen: Best, Boxtel, Gemonde, Kasteren, Lennisheuvel, Liempde, Oirschot, Olland, Schijndel, Sint-Michielgestel, Sint-Oedenrode, Woudrichem 2018, ISBN 9789492576132, € 25,00, 240 p. Bestellen kan hier.

En bij interesse in dit fenomeen, download dan zeker Tot hier en niet verder; historische wallen in het Nederlandse landschap. De stand van kennis; op te halen bij de RCE, klik hier.

Facebooktwitterlinkedinmail