
(INGEZONDEN)
Leken als wij zijn, tandarts en museumconsulent in ruste, zijn wij begaan met het lot van de bomen in onze monumentale stad Edam, een beschermd stadsgezicht. Wij willen ons inzetten voor de bomen in de stad door bewoners en de vele bezoekers van de stad aan te sporen eens wat beter naar de bomen te kijken en er wat meer van te genieten.
Zeker nu er voor straatbomen en stadsbomen steeds meer ziektes en zwammen op de loer liggen (iep, kastanje en es verkeren in zwaar weer) dringt de vraag zich op hoe wij ons sterk kunnen maken voor het behoud van stadsnatuur en voor een verantwoorde aankleding van de stad met groen, struiken en bomen. Want er rust een wettelijke verplichting op ons, inclusief het gemeentebestuur, om ook in de stad de natuur te behouden. Prangende vraag is echter voor ons: welke natuur? Waar vinden wij de richtlijnen die voorschrijven welke soorten bomen en groen de stad, en ook onze stad Edam, zou moeten hebben?
Wat moeten wij met de door ecologen en biologen gebezigde term ‘inheems’ als wij ons daar wat verder in verdiepen? 1) Inheems op welk moment? In 1200 inheems, zoals bijvoorbeeld uit palynologisch en archeobotanisch onderzoek in het veenweidegebied Waterland en Zeevang blijkt, met els, berk, es, hazelaar en eik? Of 2) inheems tijdens de verdere ruimtelijke ontwikkeling van Edam tot omwalde vestingstad in 1550 en verdere aanleg van havens ten behoeve van de toenemende handel en scheepsbouw in Edam? Hetgeen betekent: om militaire redenen geen bomen op de vesting, ook liever geen bomen bij de aan het water gelegen scheepswerven en havens. Wel fruit- en groeteteelt en tuinen binnen de vesting. Of 3) gaan we bij ‘inheems’ uit van de keuze van kastanjes of wilg, esdoorn en plataan na de ontmanteling van de vesting en de aanleg van wandel- en flaneerpaden, circa 1820, waarvan je mensen nu soms hoort zeggen dat ‘dat vroeger zo was’? U mag het zeggen.
Wie bepaalt trouwens de keuze voor bepaalde boomsoorten: de gemeente, de leverancier, het adviesbureau, de bomenstichting, het actieve IVN-lid? En op basis waarvan wordt die keuze vervolgens gemaakt? Vaak lijken ook plaatselijke omstandigheden en eigenschappen van de bomen bepaalde keuzes te beïnvloeden: geschiktheid van de bomen, te verwachten hoogte en omtrek van de boomspiegel, te hanteren plantafstand, diepte van het wortelgestel, onderhoudsgevoeligheid, dichtheid van de kruin, bestand tegen verkeer, parkeren en recreatie en esthetiek.
Een blik op de huidige plattegrond van Edam en de daarop door de gemeente met veel zorg ingetekende en gedocumenteerde bomen (594 monumentale en/of waardevolle bomen, waarvan 553 van de gemeente en 41 van derden, met 10 rijksmonumenten – de lijst is van november 2013) leert ons dat de rijen van straatbomen in de huidige stad niet alleen voor verfraaiing zorgen, maar ook de stedelijke structuur en de ruimtelijke ontwikkeling van de stad markeren en benadrukken. De meeste Edamse straatbomen staan namelijk langs het water en langs de vestingen: de grachten Voorhaven, Achterhaven-Nieuwvaartje, Nieuwehaven-Schepenmakersdijk en Versteeghsingel (Balkenhaven) en de Noorder, Wester-, Zuider- en Baandervesting. Zij hebben naar onze mening een grote gebruikswaarde in recreatief, cultuurhistorisch, ruimtelijk en natuurlijk opzicht en zijn de vlaggendragers van Edam als groene stad.
Wij zijn er alvast van overtuigd dat het belang van de bomen gediend is met samenwerking op lokale en regionale schaal. Maar ook met goede voorbeelden elders in het land, waarvan ik hoop dat die ons verder kunnen helpen bij onze zoektocht. Hebben uw leden wellicht nog suggesties?
Jan Sparreboom en Nico Jongsma
(mailadressen bekend bij de webmaster webmaster@cascade1987.nl)

Gezicht op de zeevang vanaf de Noordervesting, Jan Sparreboom


Het oeuvre van de tuin- en landschapsarchitect Lucas Pieters Roodbaard (1782-1851) is toonaangevend voor de Noord-Nederlandse landschapsparken uit de eerste helft van de 19de eeuw. Zijn oeuvre is te verdelen in drie categorieën: openbare wandelparken, landschapsparken bij buitenplaatsen en landschapstuinen bij (stads)villa’s. Aan de hand van ruimtelijk architectonisch onderzoek is een schat aan oorspronkelijke plantekeningen uitgebreid gedocumenteerd en geanalyseerd om zo tot de kern van de ontwerpmethode van Roodbaard te komen. Daarmee is zijn vorminstrumentarium, ook wel de ‘meetkundige gereedschapskist’ ontrafeld. Het heeft geresulteerd in zes compositorische ontwerpprincipes. Dankzij dit onderzoek en de nieuwe inzichten in Roodbaards handschrift kan een aantal landschapsparken worden geïdentificeerd en aan zijn oeuvre worden toegevoegd. Het gaat daarbij niet alleen om Roodbaards collectie van landschapsparken, maar ook om de samenhang van deze collectie met het omliggende historische cultuurlandschap. Dit overzicht biedt handvatten om het oeuvre van Roodbaard aan te duiden als een buitenplaatsenlandschap dat een samenhangend tuin- en landschapsarchitectonisch ensemble vormt in het Noord-Nederlandse cultuurlandschap. Dit ‘parkachtige’ landschap, ook bekend als de Noordelijke Lustwarande, is grotendeels gelegen in het kustlandschap dat grenst aan het Unesco Werelderfgoed Waddenzee. In de epiloog is een proeve van een reconstructie van een ontbrekende ontwerptekening gemaakt voor het landschapspark De Braak te Paterswolde. Het vormt de opmaat voor de integrale reconstructie van deze bijzondere collectie groen erfgoed.












Oude kaarten, of ze nu getekend zijn, met de hand ingekleurd of gedrukt, laten een wereld zien die ver weg lijkt. Maar is dat zo?
In de zeventiende en achttiende eeuw waren pachtboerderijen een vast onderdeel van de vele buitenplaatsen rond Amsterdam. Waarom was dat en welke rol speelden die boerderijen en de pachtboeren die er woonden in het buitenleven van de Amsterdamse elite? In Boeren op de buitenplaats wordt deze onbekende agrarische geschiedenis van de Hollandse buitenplaats voor het eerst tot in detail gereconstrueerd en verklaard.